Я·Proost
lilith

Na een immense eeuwigheid - de geboorte en de ondergang van een nieuwe aarde hadden angstvallig lang op zich laten wachten - keerde ze terug naar de plek waar zij ontdekte wie ze was en waar nieuwsgierigheid strafbaar was, zoekende naar een verzachtende combinatie van lust en liefde. De braamstruiken hadden haar van haar kleding ontdaan en de zon brandde op haar huid, maar verschroeide haar niet. Ze dwaalde langs de vijgenbomen, die uit de zoete nevels rondom de aftakkingen van de rivier naar de hemel reikten en talrijke vruchten droegen. Zij werd ze nauwelijks gewaar, probeerde ze zelfs te negeren, want het waren niet deze vruchten die ze zocht.
De tuin leek duisterder dan zij zich kon herinneren. Was ze daadwerkelijk duisterder geworden of was de herinnering in de loop der millennia rooskleuriger geworden? Niemand die haar dat zou kunnen vertellen. Ze baande zich in een weg door de dichte begroeiing, tussen de torenhoge palmen, over de met madeliefjes bestippelde graspollen, langs de wilgen die weemoedig over de oevers van de Pison, de Gihon en de Hiddekel hingen. Niets bewoog tussen al het groen en ze vroeg zich af waar de dieren gebleven waren. Zouden ze allemaal hun naam vergeten zijn of op een andere manier zijn weggevaagd, verdronken in een alles verslindende moessonregen? Om de dieren kon ze zich niet lang bekommeren, want het waren niet de dieren die ze zocht.
Op een open plek zakte ze neer op haar knieën, greep het droge, verschroeide zand in haar bronzen vingers, waarop het vliegensvlug tussen haar vingers weer de grond opzocht. Graven had geen zin, met grond kon zij niets. Zij niet. Ze huilde. Zachte snikken werden staccato stoten en uiteindelijke lange krijsende uithalen. Deze ijselijke kreten werden de invulling van de daarop volgende nachten en waren duidelijk hoorbaar tot ver buiten het paradijs.

Blog comments powered by Disqus